Voorstel wijziging Bibob-beleid

PowerPlusWaterMarkObject735855814Beleidslijn voor de toepassing van de Wet Bevordering integriteits­beoordelingen door het openbaar bestuur 2020



Beleidslijn voor de toepassing van de Wet Bevordering integriteits­beoordelingen door het openbaar bestuur 2020

Gemeente Dordrecht

Spuiboulevard 300

3311 GR DORDRECHT

Afbeelding 1



Het COLLEGE van BURGEMEESTER en WETHOUDERS van de gemeente DORDRECHT en de BURGEMEESTER van de gemeente DORDRECHT, ieder voor zover het zijn bevoegdheid betreft;


overwegende dat de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van hun uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden;


gelet op:

  • de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • het Besluit bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;



B E S L U I T EN:



vast te stellen de navolgende

Beleidslijn voor de toepassing van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 2020



Paragraaf 1: Algemeen


Artikel 1.1

Begripsomschrijvingen

  1. De definities in artikel 1, eerste lid van de Wet Bibob zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidslijn, tenzij daarover in het tweede lid anders is bepaald.

  2. In deze beleidslijn wordt verstaan onder:

    1. bestuursorgaan: de burgemeester van Dordrecht onderscheidenlijk het college van Burgemeester en Wethouders van Dordrecht alsmede degenen aan wie zij een mandaat hebben verleend tot besluitvorming.

    2. wet: de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).

    3. Bureau: het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, als bedoeld in artikel 8 van de wet.

    4. eigen onderzoek: de wijze van behandelen van een aanvraag, zoals beschreven in paragraaf 4 van deze beleidslijn, waarbij met toepassing van de wet door de gemeente of het bestuursorgaan wordt beoordeeld of er redenen bestaan om een advies bij het Bureau aan te vragen, dan wel om een voor de betrokkene negatieve beslissing te nemen.

    5. RIEC: het Regionaal Informatie en Expertise Centrum.


Artikel 1.2

Altijd een Bibob-onderzoek

Uitvoering van het eigen onderzoek vindt plaats op alle terreinen die onder het bereik van de Wet Bibob vallen, indien op grond van bijvoorbeeld:

  • eigen ambtelijke informatie en/of

  • informatie verkregen van het Bureau en/of

  • informatie afkomstig van één van de partners van het RIEC en/of

  • informatie verkregen van andere rechtspersonen met een overheidstaak of andere bestuursorganen en/of

  • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob (OM-Tip)

vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de wet en/of de organisatiestructuur en/of zeggenschapsverhouding en/of wijze van financiering.


Artikel 1.3

Geen Bibob-onderzoek

Tenzij zich een situatie voordoet als omschreven in artikel 1.2 van deze beleidslijn, blijft uitvoering van het eigen onderzoek achterwege, indien de betrokkene:

  1. een (semi)overheidsinstantie is;

  2. een paracommerciële horeca-inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet exploiteert;

  3. een toegelaten woning(bouw)corporaties is (toegelaten door de Minister van Volkshuisvesting conform Woningbesluit 1932 middels een daartoe verstrekte vergunning);

  4. in de twee jaren voorafgaand aan de datum van de aanvraag, de start van de onderhandelingen over een vastgoedtransactie of de inschrijving voor een overheidsopdracht reeds onderzocht is op grond van de Wet Bibob met een positief resultaat.



Paragraaf 2: Beschikkingen


Artikel 2.1

Toepassingsbereik bij nieuwe beschikkingen

1. Uitvoering van het eigen onderzoek vindt in beginsel plaats bij elkeaanvraag om een beschikking als bedoeld in:

  1. artikel 3 en 30a van de Drank- en Horecawet (Drank- en Horecawetvergunning);

  2. artikel 3:4, eerste lid van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht (vergunning seksbedrijf);

  3. artikel 30b van de Wet op de kansspelen (speelautomatenvergunning);

  4. artikel 2:28, eerste lid van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht (exploitatievergunning horeca c.q. exploitatievergunning coffeeshop);

  5. artikel 2:1 van de Kansspelenverordening (speelautomatenhalvergunning);

  6. artikel 2:41b van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht (vergunning tegengaan onveilig, niet-leefbaar, malafide ondernemersklimaat);

  7. artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een vechtsportevenement.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.2 van deze beleidslijn, vindt uitvoering van het eigen onderzoek bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning bouw)plaats, indien:

  1. de bouwsom tenminste € 1.000.000,- bedraagt, of

  2. de bouwactiviteit betrekking heeft op, dan wel wordt uitgevoerd door of ten behoeve van een onderneming die actief is in één van de volgende branches of sectoren, dan wel branches of sectoren die daaraan verwant zijn:

  • horeca;

  • seksbedrijven;

  • coffeeshops, headshops, shishalounges;

  • speelautomatenhallen;

  • fitnesscentra;

  • wellnessbranche (zoals massage- en beautysalons, nagel- en zonnebankstudio’s);

  • autobranche (zoals autohandel, garages, lease- en verhuurbedrijven, schadeherstelbedrijven en autodemontage);

  • kamerverhuur of studentenhuisvesting;

  • afvalverwerkingsbedrijven;

  • zorgbureaus; en

  • bedrijven die vergunnningplichtig zijn op grond van artikel 2:41b van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.2 van deze beleidslijn, vindt uitvoering van het eigen onderzoek bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e. van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning milieu)plaats, indien de betrokkene actief is in één van de volgende branches of sectoren, dan wel branches of sectoren die daaraan verwant zijn:

  • transportsector;

  • vuurwerkhandel;

  • herstelinrichtingen voor motorvoertuigen;

  • op- en overslagbedrijven;

  • afvalbedrijven; en

  • inrichtingen voor gebruik en/of opslag voor wapens en munitie.


Artikel 2.2

Toepassingsbereik bij reeds verleende beschikkingen

Uitvoering van het eigen onderzoek met betrekking tot verleende beschikkingen vindt plaats in de gevallen zoals opgesomd in artikel 1.2 van deze beleidslijn.



Paragraaf 3: Privaatrechtelijke transacties


Artikel 3.1

Toepassingsbereik voorafgaand aan vastgoedtransacties

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.2 van deze beleidslijn, vindt uitvoering van het eigen onderzoek bij vastgoedtransacties plaats alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, indien de onroerende zaak waarop de vastgoedtransactie betrekking heeft:

  1. een waarde heeft van ten minste € 1.000.000,- in geval het de (ver)koop van een onroerende zaak betreft, of

  2. naar het oordeel van de gemeente beeldbepalend is, dan wel symbolische waarde heeft, of

  3. zal worden gebruikt in één van de volgende sectoren, dan wel sectoren die daaraan verwant zijn:

  • horeca;

  • seksbedrijven;

  • coffeeshops, headshops, shishalounges;

  • speelautomatenhallen;

  • fitnesscentra;

  • wellnessbranche (zoals massage- en beautysalons, nagel- en zonnebankstudio’s);

  • autobranche (zoals autohandel, garages, lease- en verhuurbedrijven, schadeherstelbedrijven en autodemontage);

  • kamerverhuur of studentenhuisvesting;

  • afvalverwerkingsbedrijven;

  • zorgbureaus; en

  • bedrijven ie op grond van artikel 2:41b van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht vergunningplichtig zijn.


Artikel 3.2

Geen overeenkomst vastgoed

Indien is besloten tot het starten van een Bibob-onderzoek, komt in ieder geval geen overeenkomst tot stand, totdat het Bibob-onderzoek volledig is afgerond en het onderzoek naar het oordeel van de gemeente geen aanleiding geeft tot het afbreken van de onderhandelingen, tenzij partijen dat nadrukkelijk anders overeenkomen.


Artikel 3.3

Toepassingsbereik na totstandkoming vastgoedtransacties

De gemeente zal, nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen, uitvoering geven aan het eigen onderzoek, indien in de overeenkomst een Bibob-beëindigingclausule als bedoeld in artikel 5a, sub b van de Wet Bibob is opgenomen én indien zich een situatie voordoet zoals omschreven in artikel 1.2 van deze beleidslijn.



Paragraaf 4: Uitvoering eigen onderzoek


Artikel 4.1

Eigen onderzoek, als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid onder d

  1. In het kader van het eigen onderzoek, zal de betrokkene het Bibob-vragenformulier dienen in te vullen en de daarin verzochte gegevens en bescheiden dienen te verstrekken.

  2. Bij de uitvoering van het eigen onderzoek kan de gemeente of het bestuursorgaan zich laten ondersteunen door het RIEC.

  3. Het eigen onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van:

  1. de door de betrokkene verstrekte informatie op en bij het Bibob-vragenformulier;

  2. open bronnen, zoals het internet, het Handelsregister en het Kadaster;

  3. gemeentelijke systemen, zoals de Basisregistratie Personen;

  4. politie-, justitiële, strafvorderlijke en fiscale gegevens over de betrokkene en zijn Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid onder c van de wet, voor zover het bestuursorgaan of de gemeente daartoe bevoegd is;

  5. overige informatie verkregen van één van de partners van het RIEC, dan wel andere rechtspersonen met een overheidstaak of bestuursorganen.


Artikel 4.2

Adviesaanvraag Landelijk Bureau Bibob

In aanvulling op het eigen onderzoek kan de gemeente of het bestuursorgaan het Bureau verzoeken onderzoek te verrichten en advies uit te brengen, indien:

  1. de officier van justitie de gemeente of het bestuursorgaan op grond van artikel 26 van de wet heeft bericht;

  2. naar het oordeel van de gemeente of het bestuursorgaan de expertise van het Bureau noodzakelijk is;

  3. na het uitvoeren van het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over:

  1. omstandigheden in de persoon van de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de wet;

  2. de organisatiestructuur of zeggenschapsverhouding van de betrokkene;

  3. de wijze van financiering.



Paragraaf 5: Gevolgen van het Bibob-onderzoek


Artikel 5.1

Gevolgen van ontoereikende informatievoorziening door betrokkene bij beschikkingen

  1. Het bestuursorgaan laat een aanvraag voor een beschikking in beginsel buiten behandeling, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek.

  2. Het bestuursorgaan trekt een verleende beschikking in beginsel in, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek.

  3. Het bestuursorgaan laat een aanvraag in beginsel buiten behandeling, dan wel trekt een verleende beschikking in, in geval van het niet of niet volledig beantwoorden van de door het Bureau op grond van artikel 12 van de Wet Bibob gestelde vragen, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de door het Bureau op basis van datzelfde artikel verzochte gegevens.


Artikel 5.2

Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij beschikkingen

  1. Het bestuursorgaan zal in beginsel overgaan tot het weigeren van een aanvraag voor een beschikking of tot intrekking van een reeds verleende beschikking, indien uit het eigen onderzoek of uit het advies van het Bureau blijkt dat sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob, dan wel indien zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob.

  2. Het bestuursorgaan zal bij een mindere mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, zevende lid van de Wet Bibob in beginsel voorschriften aan de beschikking verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van een dergelijk gevaar.


Artikel 5.3

Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij vastgoedtransacties

  1. De gemeente zal in beginsel overgaan tot het afbreken van de onderhandelingen, indien uit het eigen onderzoek en/of een eventueel daarop afgegeven advies van het Bureau blijkt dat ten minste één van de onderstaande situaties zich voordoet:

  1. er is sprake van ten minste een mindere mate van gevaar dat de vastgoedtransactie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten;

  2. er is sprake van ten minste een mindere mate van gevaar dat in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft, mede strafbare feiten zullen worden gepleegd;

  3. er is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot ernstige strafbare feiten die naar het oordeel van de gemeente een integriteitsrisico vormen (ongeacht de mate van gevaar);

  4. er is sprake van feiten en omstandigheden die er op wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd;

  5. betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 30 Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door de gemeente zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door de gemeente gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden;

  6. betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 12 Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door het Bureau zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door het Bureau gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden.

  1. In de gevolgen van een Bibob-onderzoek dat is gestart nadat de vastgoedtransactie is aangegaan, wordt bij overeenkomst voorzien.


Artikel 5.4

Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij overheidsopdrachten

  1. In geval van een inschrijving op een overheidsopdracht, kan de informatie uit het Bibob-onderzoek dienen als onderbouwing van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2012.

  2. De gemeente gunt een overheidsopdracht niet, indien de betrokkene heeft nagelaten:

  1. de op grond van artikel 30 van de Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door de gemeente zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door de gemeente gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden;

  2. de op grond van artikel 12 van de Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door het Bureau zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door het Bureau gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden.



Paragraaf 6: Slotbepalingen


Artikel 6.1

Intrekking oude beleidslijn

De beleidslijn voor de toepassing van de Wet Bevordering integriteits­beoordelingen door het openbaar bestuur 2013, vastgesteld op 26 november 2013, wordt ingetrokken.


Artikel 6.2

Citeertitel

Deze beleidslijn kan worden aangehaald als de Bibob-beleidslijn gemeente Dordrecht.



Artikel 6.3

Datum inwerkingtreding

Deze beleidslijn treedt in werking op ……….. 2020.




Aldus besloten in de vergadering van dinsdag ………. 2020.


Het college van Burgemeester en Wethouders





J. Scholten A.W. Kolff

secretaris burgemeester






Dordrecht, dinsdag …..…. 2020.





A.W. Kolff

burgemeester


Toelichting


1 Waarom een wijziging van de Bibob-beleidslijn?

De aanleiding voor de wijziging van de beleidslijn is drieledig. Ten eerste nemen wij hiermee de nieuwe vergunningplicht zoals opgenomen in artikel 2:41b van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht (vergunning voor het tegengaan van een onveilig, niet-leefbaar, malafide ondernemersklimaat) in het Bibob-beleid op. Gelet op de aard van deze vergunning, wordt thans in het beleid geregeld dat bij iedere aanvraag op grond van voornoemde bepaling een Bibob-onderzoek wordt gestart.


Ten tweede hechten wij er belang aan om een nog betere balans te vinden tussen de verschillende bij de Wet Bibob betrokken belangen. Enerzijds beogen wij door toepassing van het Bibob-instrument te voorkomen dat wij strafbare feiten faciliteren. Anderzijds brengt de Wet Bibob administratieve lasten met zich mee, waar soms ook de bonafide ondernemer mee te maken heeft. Hoewel Dordrecht ernaar streeft een gastvrije en ondernemersvriendelijke gemeente te zijn, beperkt die gastvrijheid zich tot bonafide ondernemers. Door de inzet van de Wet Bibob trachten wij de malafide ondernemers zoveel mogelijk te weren. Op die manier beogen wij ook om (binnen de mogelijkheden van de wet) de belangen van de bonafide ondernemers te beschermen door een gelijk speelveld te creëren. Deze ondernemers hebben tenslotte een achterstand op een concurrent die zich niet aan de regels houdt en bijvoorbeeld zijn onderneming financiert door middel van vermogen dat is verkregen uit strafbare feiten als witwassen of drugshandel. Om de administratieve lasten voor de bonafide ondernemer zoveel mogelijk te beperken, wordt in het nieuwe beleid en in de uitvoering daarvan een aantal maatregelen genomen. Zo zullen wij een ondernemer die de afgelopen twee jaar reeds is onderzocht op grond van de Wet Bibob in beginsel niet opnieuw onderzoeken, tenzij er signalen zijn van misbruik. Voorts is de Bibob-vragenlijst vereenvoudigd en in ondernemersvriendelijke taal opgesteld. Met een Bibob-vragenlijst dient de betrokkene onder meer inzicht te geven in de financiering, de zeggenschaps­verhouding en het strafrechtelijk verleden. In het kader van een Bibob-onderzoek vragen wij alleen naar informatie die strikt noodzakelijk is voor de beoordeling van een vergunning- en subsidieaanvraag, eenvastgoedtransactie of een overheidsopdracht.Deze informatie is door een bonafide ondernemer met een deugdelijke administratie relatief eenvoudig te overleggen.


Ten slotte wordt het beleid gewijzigd om te anticiperen op twee wetsvoorstellen strekkende tot wijziging van de Wet Bibob. De minister van Justitie en Veiligheid beoogt met de voorgestelde wetswijzigingen onder meer om de gemeente een betere informatiepositie te verschaffen, om zo een effectiever Bibob-onderzoek te kunnen verrichten. Hoewel wij ons ervan bewust zijn dat de volksvertegenwoordiging zich nog heeft uit te spreken over deze wetsvoorstellen, leggen wij in deze beleidslijn reeds vast dat wij van de ruimere bevoegdheden gebruik zullen maken, indien en zodra de wijzigingswetten in werking zijn getreden.



2 Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1.1

In deze bepaling zijn de relevante begrippen gedefinieerd.

Artikel 1.2

De Wet Bibob is van toepassing op in de wet aangewezen vergunningen, subsidies, vastgoedtransacties en overheidsopdrachten. Aangezien de gemeente Dordrecht geen zaken wenst te doen met malafide partijen, zal op al deze gebieden in alle gevallen waarin signalen zijn dat de betrokkene of zijn Bibob-relaties niet integer zijn een Bibob-onderzoek worden gestart. Deze signalen kunnen voortvloeien uit de bronnen zoals genoemd in deze bepaling, waarbij uitdrukkelijk zij vermeld dat de opsomming in dit artikel niet uitputtend is. Speciale aandacht verdient de uitwisseling van Bibob-gegevens tussen overheden onderling. Artikel 28 van de Wet Bibob staat er op dit moment aan in de weg dat gemeenten onderling Bibob-gegevens met elkaar delen. Dit heeft tot gevolg dat criminelen in gemeente A een vergunning krijgen, terwijl zij door gemeente B op grond van de Wet Bibob zijn geweigerd, terwijl gemeente A dat niet rechtstreeks van gemeente B mag vernemen. De hiervoor reeds besproken wetsvoorstellen van de minister van Justitie en Veiligheid maken het mogelijk dat gemeente B de Bibob-gegevens wel met gemeente A deelt. Dergelijke informatie kan op grond van artikel 1.2 na inwerkingtreding van de wijzigingswet aanleiding zijn om een onderzoek te starten.


De gebieden waarop wij alleen een Bibob-onderzoek starten in de situatie als bedoeld in deze bepaling (op grond van signalen) worden niet afzonderlijk benoemd in deze beleidslijn. In tegenstelling tot bijvoorbeeld vergunningaanvragen voor de Drank- en Horecawet (bij iedere aanvraag een Bibob-onderzoek, zie artikel 2.1, eerste lid onder a) of voor omgevingsvergunningen bouw (artikel 2.1, tweede lid, op basis van de hoogte van de bouwsom of van de branche), beperken wij de toepassing van het Bibob-instrument in een aantal gevallen tot de situatie zoals genoemd in deze bepaling. Het betreft bijvoorbeeld:

  • vergunningen op grond van de Huisvestingswet;

  • subsidies;

  • overheidsopdrachten;

  • vergunningen voor inrichting of bedrijf die op grond van een gemeentelijke verordening verplicht zijn gesteld en niet in andere bepalingen in deze beleidslijn worden genoemd;

  • de omgevingsvergunning beperkte milieutoets.


Artikel 1.3

Dit artikel regelt wanneer wordt afgezien van een Bibob-onderzoek. Dat is het geval indien de betrokkene een overheids- of een semioverheidsinstantie is. Semi overheid is een algemene aanduiding voor allerlei soorten organisaties die 'dicht tegen de overheid aan zitten'. Kenmerken van een semioverheid is dat sprake is van:

a. wettelijke taken en/of het dienen van een uitgesproken publiek belang en b. een (flinke) publieke financiering.


Op grond van het vierde lid zullen wij in beginsel geen Bibob-onderzoek uitvoeren indien de betrokkene in de twee jaren voorafgaand aan de vergunningaanvraag, start van de onderhandelingen of inschrijving voor de overheidsopdracht, met een positieve uitslag onderzocht is op grond van de Wet Bibob.


Deze bepaling vindt ook toepassing indien de betrokkene op meerdere manieren met een Bibob-onderzoek kan worden geconfronteerd in het kader van hetzelfde project. Indien een onderneming grond van de gemeente verwerft en vervolgens een omgevingsvergunning nodig heeft om daarop te mogen bouwen, kan de gemeente reeds in het kader van de verkoop van de grond een Bibob-onderzoek starten. Bij een positieve toets zal in beginsel geen nieuw Bibob-onderzoek plaatsvinden indien dezelfde betrokkene een omgevingsvergunning bouw aanvraagt binnen twee jaar na het Bibob-onderzoek naar de grondtransactie. Blijkt dat er op grond van artikel 2.20 eerste lid van de Wabo een andere betrokkene kan worden aangewezen, dan zal de situatie worden beoordeeld op grond van artikel 2.1, tweede lid van deze beleidsregel.


Indien zich echter een situatie voordoet als bedoeld in artikel 1.2 eerste lid van deze beleidsregel, zullen wij wel een Bibob-onderzoek starten. Volledigheidshalve wordt dan ook opgemerkt dat het vierde lid uitsluitend beoogt te voorkomen dat bonafide ondernemers met een onnodig hoge lastendruk worden geconfronteerd. Indien bijvoorbeeld in het kader van een eerder onderzoek de zeggenschap van een persoon vermoedelijk is verhuld, zal hoe dan ook een nieuw onderzoek nodig zijn. De betrokkene kan zich in een dergelijk geval niet op deze bepaling beroepen dan wel zich achter een eerder onderzoek verschuilen.


Artikel 2.1

Het eerste lid geeft een opsomming van de vergunningen waarbij bij iedere aanvraag een Bibob-onderzoek wordt gestart. Nieuw in dit verband is de eerder genoemde vergunningplicht op grond van artikel 2:41b van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht (vergunning voor het tegengaan van een onveilig, niet-leefbaar, malafide ondernemersklimaat). Nieuw is ook dat het bestuursorgaan een Bibob-onderzoek start bij iedere vergunningaanvraag voor een vechtsportevenement met een commercieel karakter, waarbij bijvoorbeeld ook gebruik wordt gemaakt van VIP-tafels. Dergelijke vergunningen zijn in 2010 onder de werking van de Wet Bibob gebracht, vanwege aanwijzingen dat deze (grootschalige) evenementen vatbaar zijn voor criminele beïnvloeding. Vanwege die signalen zullen dergelijke aanvragen in beginsel altijd worden onderzocht op grond van de Wet Bibob. Organisatoren zullen daarom rekening moeten houden met een langere doorlooptijd van de aanvraag en de vergunning tijdig moeten aanvragen. Wij beogen hiermee niet alle vechtsportevenementen onder het bereik van deze bepaling te brengen. Wedstrijdenzonder commercieel karakterof evenementen die plaatsvinden onder auspiciën van een bij de NOC*NSF aangesloten sportbond vallen in beginsel buiten het bereik van deze bepaling.


Ook de toepassing van Bibob bij bouwvergunningen is gewijzigd ten opzichte van de vorige beleidslijn in de zin dat ten aanzien van meer branches een Bibob-onderzoek zal worden gestart. Dit betreft branches of sectoren waarvan de ervaring leert dat zij vatbaar zijn voor criminaliteit. Voor de goede orde merken we op dat we hiermee geenszins beogen om individuele ondernemers binnen die branches te criminaliseren. Er wordt slechts voorzien in een ruimere mogelijkheid om een eigen Bibob-onderzoek te starten, dat door een bonafide betrokkene met een deugdelijke administratie relatief snel kan worden doorlopen. Pas als zich na dit beperkte onderzoek indicaties van strafbare feiten voordoen, zal het onderzoek worden geïntensiveerd door middel van een adviesaanvraag bij het Bureau. Een andere aanleiding voor de start van het Bibob-onderzoek is ‑ net als in het vorige beleid ‑ de hoogte van de, door de gemeente te berekenen, bouwsom. Indien de bouwsom meer dan € 1.000.000,- bedraagt, zal een Bibob-onderzoekworden gestart.


Voor de volledigheid merken wij op dat de juistheid van de verwijzingen naar artikelen in wettelijke regelingen waarin de vergunningplicht is bepaald, niet doorslaggevend is voor de vraag of wij een Bibob-onderzoek kunnen starten. Die andere wettelijke regelingen kunnen immers wijzigen na de inwerkingtreding van deze beleidslijn.


Artikel 2.2

Indien de beschikking eenmaal is verleend, wordt in beginsel alleen een Bibob-onderzoek verricht naar de gevallen zoals omschreven in artikel 1.2 van deze beleidslijn.


Artikel 3.1

Bij vastgoedtransacties, zoals de (ver)koop en (ver)huur van grond en panden en het vestigen van zakelijke rechten (zoals erfpacht), wordt een Bibob-onderzoek gestart afhankelijk van de financiële (eerste lid) of symbolische (tweede lid) waarde (waaronder begrepen de historische waarde) van de onroerende zaak. Indien een pand een grote symbolische waarde heeft, dan wel beeldbepalend is voor de gemeente, zullen wij uit voorzorg een Bibob-onderzoek starten. Of daarvan sprake is, staat ter beoordeling van de gemeente. Wij rekenen hier in ieder geval onder de situatie waarin wij kantoorruimte huren voor onze gemeente. Juist vanwege het belang dat wij hechten aan integer zaken doen, willen wij uitsluiten dat we onze bestuurders en ambtenaren huisvesten in een pand van een malafide partij. Een laatste aanleiding voor de start van een Bibob onderzoek is, overeenkomstig de toepassing van Bibob bij de omgevingsvergunning bouw, de branche waarvoor of waarin de onroerende zaak zal worden gebruikt. Indien er mogelijk samenloop is van een vastgoedtransactie met een omgevingsvergunning bij eenzelfde betrokkene, zal de gemeente zich inspannen om het Bibob-onderzoek in een zo vroeg mogelijk stadium (dat wil zeggen: gedurende de onderhandelingen over de vastgoedtransactie) te laten plaatsvinden.


Artikel 3.2

Om te voorkomen dat de wederpartij erop vertrouwt dat een overeenkomst tot stand komt, maakt deze bepaling duidelijk dat de gemeente in de regel het resultaat van het Bibob-onderzoek afwacht, alvorens een beslissing te nemen over het al dan niet aangaan van de overeenkomst. Van dat uitgangspunt kan door partijen worden afgeweken door de overeenkomst gedurende het Bibob-onderzoek aan te gaan, indien beide daar om welke redenen dan ook belang aan hechten. In die overeenkomst zal in dat geval wel een Bibob-beëindigingsclausule zijn opgenomen en dient de wederpartij er nadrukkelijk rekening mee te houden dat het Bibob-onderzoek na afronding alsnog kan leiden tot beëindiging van de overeenkomst.


Artikel 3.3

Het onderzoek naar de wederpartij bij een vastgoedtransactie kan niet alleen voorafworden uitgevoerd, maar ook nadatdie transactie tot stand is gekomen. Voorwaarde is wel dat in de betreffende overeenkomst een Bibob-beëindigingsclausule is opgenomen. Mede afhankelijk van het soort vastgoedtransactie, is het uitgangspunt dat die bepaling in beginsel in iedere overeenkomst wordt opgenomen.


Artikelen 4.1 en 4.2

In deze bepalingen wordt globaal weergegeven hoe het Bibob-onderzoek verloopt en welke bronnen worden geraadpleegd. Deze opsomming van bronnen is niet limitatief en kan in de loop van de tijd veranderen, afhankelijk van de gewijzigde bevoegdheden van de gemeente en het bestuursorgaan in andere wettelijke regelingen. Thans kan bijvoorbeeld alleen politie- en justitiële informatie over de betrokkene en diens bestuurders worden geraadpleegd, maar het eerder besproken wetsvoorstel voorziet wat justitiële gegevens betreft in ruimere mogelijkheden. Zodra dat wetsvoorstel is aangenomen en in werking is getreden, zullen wij van die ruimere mogelijkheden gebruikmaken. Datzelfde geldt voor de door het kabinet aangekondigde mogelijkheid voor bestuursorganen om onderling Bibob-informatie te delen.


Indien na het eigen onderzoek naar het oordeel van de gemeente of het bestuursorgaan noodzaak tot vervolgonderzoek bestaat, zal het Bureau worden verzocht advies uit te brengen. Dat zal in beginsel altijd gebeuren bij een tip van de officier van justitie zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob. Wij zullen ook advies aanvragen, indien wij bijvoorbeeld de expertise van het Bureau nodig achten om de mate van gevaar te beoordelen of indien wij over bepaalde voor het Bibob-onderzoek relevante personen niet alle informatiebronnen kunnen raadplegen.


Artikel 5.1

Om het Bibob-onderzoek te kunnen uitvoeren is het van belang dat de betrokkene volledig inzicht biedt in de herkomst van de financiering, de identiteit van de vermogensverschaffers en de identiteit van de (rechts)personen met zeggenschap. Bovendien zal duidelijk moeten worden wie feitelijke invloed heeft binnen de onderneming. Deze partijen zijn op grond van artikel 3, vierde lid onder c van de Wet Bibob immers relevant voor het onderzoek. Indien de betrokkene hierover onvoldoende gegevens verstrekt dan zullen wij niet tot vergunning- of subsidieverlening overgaan, dan wel de gegeven beschikking intrekken.


Artikel 5.2

Het eerste lid bepaalt dat we bij de conclusie ernstig gevaar in beginsel overgaan tot het weigeren of intrekken van de vergunning. Een dergelijke weigering of intrekking is echter geen automatisme. Het bestuursorgaan zal steeds de individuele belangen van de betrokkene afwegen tegen het belang van het niet-faciliteren van strafbare feiten. Bovendien zal het bestuursorgaan op grond van artikel 3, vijfde lid overwegen of de ernst van de strafbare feiten een weigering of intrekking rechtvaardigt, voor zover het om een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b van de Wet Bibob gaat. Indien sprake is van een strafbaar feit ter verkrijging van de vergunning (zoals valsheid in geschrifte) wordt de aanvraag niet alleen geweigerd, maar wordt ook aangifte gedaan.


Op grond van het tweede lid zal het bestuursorgaan in beginsel voorschriften aan de vergunning verbinden wanneer sprake is van de conclusie van een mindere mate van gevaar. Deze voorschriften zien op het wegnemen van het geconstateerde gevaar. Gedacht kan worden aan de verplichting voor de betrokkene om periodiek financiële gegevens te verstrekken. Een andere mogelijkheid is de verplichting voor de betrokkene om de banden met de personen met antecedenten volledig te verbreken en verbroken te houden.


Artikel 5.3

Waar bij vergunningen het uitgangspunt is dat deze verleend moeten worden, tenzij sprake is van een weigeringsgrond in een wettelijke regeling, gelden bij vastgoedtransacties de beginselen van partijautonomie en contractsvrijheid. Vanwege die contractsvrijheid hoeft de uitkomst van het Bibob-onderzoek in beginsel niet bepalend te zijn voor de vraag of de vastgoedtransactie al dan niet wordt aangegaan. Onderhandelingen kunnen ook worden afgebroken indien geen sprake is van een ernstig gevaar. Wij passen het Bibob-instrument dus in een bredere integriteitscontext toe en kunnen ook om andere redenen bepalen geen overeenkomst aan te gaan. Te denken valt aan de volgende situaties:

  • Tijdens de fase van het eigen onderzoek blijkt reeds dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten. Afhankelijk van de ernst van die feiten kunnen wij bepalen de onderhandelingen af te breken zonder advies van het Bureau of conclusie over de mate van gevaar.

  • De betrokkene weigert om een Bibob-vragenlijst (volledig) in te vullen of weigert aanvullende vragen van het Bureau te beantwoorden.

  • De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten die niet meewegen bij de conclusie over het gevaar, maar vormen naar het oordeel van de gemeente wel aanleiding om geen overeenkomst aan te gaan. Bijvoorbeeld omdat het de reputatie van de gemeente kan schaden wanneer de transactie wordt aangegaan.


Artikel 5.4

De gunning van een overheidsopdracht geschiedt niet aan de hand van de criteria in de Wet Bibob, maar op grond van (de uitsluitingsgronden in) de Aanbestedingswet. Het Bibob-onderzoek slechts dienen ter onderbouwing van die uitsluitingsgronden.

Pagina 13/13